Categorieën
Humor Muziek Woord

File op E313 erkend als Unesco erfgoed

Een van de populairste tradities in de Kempen is natuurlijk de file op de E313. Ontstaan in de jaren zestig en gaandeweg aan populariteit gewonnen tot nu de dagelijkse samenkomst zelfs tot voorbij Herentals reikt en dit helemaal coronaproof!

Onlineradio Kempisch Kanaal doet daarom een oproep om deze traditie op te nemen worden in de UNESCO werelderfgoedlijst zodat deze nog voor generaties in ere blijft verder bestaan. Om deze actie kracht bij te zetten, zal het ook druk worden dit weekend op het Kempisch Kanaal, met mogelijks filevorming tot gevolg.

Wat vaart er allemaal rond dit weekend?

Op zaterdag 19 september speelt DJ Blue Man van 10 tot 12 uur live vanuit de Wolwinkel in Geel. Hij haalt zijn beste Japanse popparels, cumbiaaah!, ernstige reclamespots, dwarse fluiten, dwarse katten en afrobeat boven.

Van 12 tot 14 uur spelen DJ Toekanbaas en DJ Lorelei live vanuit de Toekan in Heist-op-den-Berg onder het motto “tussen de Cappuccino’s en de patatten”, niet te verwarren met “tussen de soep en de patatten” want soep serveren ze niet in Toekan.

Twee straten verder speelt Radio Storm vanop het zonneterras van De Living in Heist waar ze 11 kaarsen uitblazen. Van 14 tot 15 uur speelt Radio Ontspanje, een hete trip langs de fijnste Flamenco, Rumba,, Pop en Rock van Spanje. Van 15 tot 16 uur is het tijd voor een Tropical Indian Summer session with DJ D. Bardeure. Van 16 tot 18 uur komen we Radio Sanseveria tegen, van 18 tot 20 uur 2 Brothers on the 4th flour.

Kunde gij nog volgen?

Wellicht speelt dan van 22.15 tot 1 uur live vanuit cafe de Wolwinkel een nieuwe Winterland Indian Summer Set. Radio STORM goochelt met de seizoenen voor wie de bladeren al ziet vallen met een greep uit de Winterland podcast en een Indiaan bij zonsondergang. De aanleiding voor dit alles is het concert van Kameel in cc De Werft wat moet nabesproken worden bij nacht en ontij in cafe de Wolwinkel.

Op zondag 20 september speelt Radio Storm van 15 tot 17.30 uur in cultuurcentrum ’t Schaliken. Ze eren er Ronald Luyten, AKA DJ Witte Stilte. De man stierf 3 jaar geleden vrij plots en schonk zijn hebben en houden waaronder een collectie schilderijen aan het Jacob Smits Museum in Mol. In Herentals wordt hij nu herinnert met een EXPO in Art Center Hugo Voeten,

Van 20 tot 22.30 uur sluiten het weekend af met een livestream concert van ALP (solo) vanuit Cafe De Living. Voila dit volstaat, tot morgen!

(gepikt van Facebook en enigszins aangepast voor publicatie)

Categorieën
Woord

Poëzieweek 2021

De jaarlijkse Poëzieweek vindt volgend jaar plaats van donderdag 28 januari 2021 tot en met woensdag 3 februari. In de loop van de Poëzieweek willen we graag gedichten publiceren. Heb jij een gedicht geschreven voor de Poëzieweek, dan mag je dat hier doorsturen. Dat mag nog tot vrijdag 5 februari. Het thema van de Poëzieweek is ‘samen’.

Categorieën
Woord

227 Days 227 Lays

Loslaten van alle begin en einde

Voor peuters en kleuters leeft alles en iedereen. Tegen hen zeggen dat die of dat niet meer leeft, is als ontkennen dat de schaapjes die ze ’s avonds tellen niet uit wol en vlees zouden bestaan. Of dat de boze wolf niet in staat zou zijn om de grootmoeder van Roodkapje met huid en haar op te eten. En als hij dat toch zou doen, leeft in de kinderhoofdjes grootmoeder nog lang en gelukkig in de buik van de boze wolf.

Hoe goed ouders het ook met hun kinderen mogen voorhebben, er zijn van die heel zekere waarheden waarover ouders enkel kunnen praten wanneer hun voltallige kroost in slaap is. En dan nog verlopen zulk heikele gesprekken in een codetaal. Regel nummer één is dat je je kinderen noemt bij hun koosnaam. Regel nummer twee is dat je het onderwerp aangenamer voorstelt dan het werkelijk is. Tip is te denken aan de wortelpuree dat je tussen de stijf op elkaar geklemde lippen van je kind wil laten vliegen. En als het kleine stuk vreten met de wangen vol oranje smurrie het op een blèren zet, jij zelf op en neer gaat wippen van: ‘Lekker! Lekker! Lekker!’ Regel nummer drie is grenzen stellen aan je ouderlijke bezorgdheid. Los vuil dat je ziet neervallen op het tutje dat op het punt staat in je kleine zijn mond te belanden. Dat soort van heel kleine atomaire onderdeeltjes, die alleen ouders kunnen zien en die op de keper beschouwd zelfs gunstig zijn voor dat klein levend wezentje. Het niet willen horen dat dat het verdedigingssysteem kan helpen om indringers te bestrijden. Nog liever je eigen mentale gezondheid in gevaar brengen met de verzameling aan obscure informatie dat op het internet te vinden is, dan dat je de natuur haar gang laat gaan. En zo zijn er waarschijnlijk nog tig aan regels. Punt is dat het allemaal draait rond het loslaten van alle begin en einde. Op ieder moment kan en zal er wel iets gebeuren dat er gevaar voor schade of verlies dreigt. En dat moet niet altijd gepaard gaan met het lichaam dat in zijn ademhaling wordt belemmerd. 

Kinderloos als ik ben, vergelijk ik de opvoeding van kinderen graag met kunst. Op een bepaald tijdstip ziet de schilder, net wanneer hij met onverdeelde aandacht alleen het strijken van zijn penseel op doek kan horen, dat de verf een doorgang naar de vloer heeft gevonden. Voor de ouder heeft het verschijnsel van kleuren buiten de lijnen hetzelfde effect als een rode lap op een stier. In zijn functie van opvoeder ziet de ouder een begin dat goed begonnen is, maar een einde dat moet afgesloten worden. De schilder daarentegen, laat de lucht eerst nog eens traag door zijn mond naar binnen en buiten gaan. Stapt in gedachten af van wat normaal is en verwacht wordt. Wikt en weegt de mogelijkheid dat hij misschien het equivalent van een kind aan het verwekken is. Vergeet dat de verf op de vloer een nare gebeurtenis zou kunnen zijn en ziet het plezier van het onvermijdelijke in. Hij berust in wat mag zijn en wat hem toekomt. Hij laat los en neemt zijn tijd. Tweehonderdzevenentwintig dagen lang om precies te zijn. 

Lizzy Dizzy

Categorieën
Woord

Cross-over

Als een tam konijn in een hok in de tuin. Met sluik haar als lange oren en een klein dotje vol met witte pluizen op haar kont geplakt. Haar borstkas gaat op en neer door het bonkende hart dat erin verscholen zit. Haar benen hebben een kleur dat het midden houdt tussen wit en rood. Ze lijkt niet beperkt te zijn in haar bewegingen waarmee ze schijnt te kunnen vermogen iets bewust te wensen of te begeren. Of wil ze haar handelingen laten plaatsvinden zonder bedoeling? Terwijl die er wel lijkt te zijn, want haar geslachtsorgaan speelt zulk een rol waarvan eenieder lichaam opgewonden raakt. Niet geschikt voor jongeren tussen de twaalf en achttien jaar die nog elke dag in een schrift opschrijven wat ze beleefd hebben en denken dat het dun, rubber zakje bedoeld is om op te blazen met lucht. Maar deze vrouw is geen kind meer, ze bestaat al lang genoeg om te weten dat haar mogelijkheden verscholen liggen in het onontkoombaar verloop van gebeurtenissen. 

Jezus is de persoon van wie ze het meest lijkt te houden. De lange, magere jongen bengelt aan een paternoster net boven het lichaamsdeel waarvan alleen zij weet of het nog maagdelijk is. Tussen het kussen, luidruchtig snoeven en het tongzoenen door komt Jezus postuum met de voorkant van zijn hoofd regelmatig tegenover haar flamoes te staan. Hem kennende, wil hij dat hij ergens anders was. Zelf is hij nooit verder dan een vriendschappelijke relatie geraakt. En bezocht hij al eens grote planten om dunne takken te sprokkelen, dan was zijn reden steeds serieus en officieel. De communicatie met zijn vrienden bestond uit beeldspraak gebaseerd op vergelijkingen om de dingen beter voor te stellen dan de werkelijkheid was. En dat allemaal om de lengte van zijn ga-en-vermenigvuldig-u-lichaamsdeel dat essentieel is om te leven, niet te moeten noemen. Maar we zullen het nooit weten. Seksuele opgewondenheid zit vanbinnen. Daar waar je het niet kunt zien. 

Men pretendeert dat Jezus het soort man is, waarvan er maar één is. Hij bezit het verlangen iets te doen zonder zelf actief te zijn. Terwijl deze vrouw met veel hartstocht je het gevoel wil geven verliefd te zijn op de enige, ware versie van haarzelf. Daarin mag Jezus slechts een ondergeschikte rol spelen. Daarmee maakt ze een kruis over het onaangename gevoel dat seksuele opwinding zou geven. Daardoor wil je alleen maar hier zijn en naar haar blijven kijken. 

Lizzy Dizzy

Categorieën
Humor Poëzie Woord

Droombazuiner

Droombazuiner is een creatieve uitlaatklep van auteur Tom Driesen uit Turnhout. Hij wil korte, gekke poëtische quotes voor een groot publiek toegankelijk maken. Positiviteit en licht moeten centraal staan. Er is al genoeg grofheid en duisternis te vinden. Het is een aanvulling op en geen vervanging voor volledige gedichten, battles of verhalen. Een poging om de tijdsgeest te omhelzen in plaats van ertegenin te fietsen. We hadden een interview met Tom (via de mail natuurlijk, met die krona!).

Hoe is Droombazuiner ontstaan?

Ik denk dat ik op Facebook al sinds het begin veel poëtische dingen en woordspelingen deel. Tijdens het begin van de lockdown had ik in Paint mondmaskers met grappige en poëtische teksten gemaakt. Een beetje als gratis inspiratie voor de mensen die ze echt maakten.

Dat werd veel meer dan verwacht opgepikt. Toen dacht ik opeens dit moet mooier kunnen. En dan ben ik gaan prutsen met een logomaker.  En na een uurtje had ik het logo van Droombazuiner  en een eerste tekst.

De naam Droombazuiner had ik meer dan 15 jaar geleden al bedacht. Het is een synoniem voor wat een dichter is. Iemand die als de GVR dromen aan de mensen geeft. Ik gebruikte de naam daarvoor enkel als Playstation Account.

Wat is Droombazuiner juist?

Het is een template om poëtische, grappige, positieve quotes te delen. Die komen soms uit dingen die ik eerder al schreef. Dan zijn het eerder instant gedichten. En soms geven ze een knipoog naar de actualiteit.  Loesje is ergens wel een inspiratie. Maar dat idee kwam wel achteraf. Het is een nederige poging om poëzie in een snelle wereld te gooien.

Het  is in de eerste plaats ook een Facebook- en Instagramkanaal. Misschien in de toekomst  ook een website. Instagram is in een maand wel  hard ontploft. Op een maand tijd  had ik 1000 volgers. Ik heb gewoon de ambitie om dit met zoveel mogelijk mensen te delen. Het is het weinige wat ik te geven heb.

Zijn er nog poëtische inittiatieven  in coronatijden?

Ten eerste moet ik zeggen dat een eerste duwtje in de rug heel belangrijk was. Wendy luycks heeft het direct opgepikt. Zij was bezig aan een website rond inspirerende en bezielende verhalen en mensen. Dat is Vlamdragers geworden. We hebben onze karretjes aan elkaar gehangen. En elke week verschijnt er een droombazuiner in Vlamdragers.

Daarnaast heb ik ook wel gemerkt dat er op Instagram een zeer bloeiende comunity bestaat van mensen die tekst en beeld op de een of andere manier combineren. Ik ben lang niet de enige met een dergelijk idee. Het is blijkbaar iets dat leeft. Ik zou zeggen ga eens op ontdekking in die wilde vijver vol gekke en lieve dichters en fotografen. Er zitten echt pareltjes bij.

Wat mogen we nog van Droombazuiner verwachten?

Ik denk dat als dit blijft werken en doorgroeien ik Droombazuiner ook als platform ga openstellen naar anderen. Als dit op Instagram een beetje blijft lopen wil ik ook andere dichters, schrijvers, rappers een kans geven om een co of meebazuiner te worden. Om zo nog meer mooie zinnen uit hun bundels  of liedjes toch even een plek voor zichzelf te geven.

Check Droombazuiner op Instagram

Check Tom Driesen op zijn WordPress

Categorieën
Column Humor Verhaal Woord

Het rokende graf

Op een Vlaams webstek omtrent paranormale verschijnselen lees ik ‘s nachts met een venijnig glimlachje het volgende kersverse verhaal dat zich afspeelt in mijn Kempense geboortedorp Tongerlo: bij valavond staan drie tieners, twee jongens en een meisje, in het geniep een sigaret te roken op het ommuurde, landelijke kerkhof in de schaduw van de
Norbertijnerabdij wanneer ze plots opgeschrikt worden door eigenaardige fenomenen. Vanonder het vers gedolven graf even verder met een voorlopig houten kruisje met de naam Willy Verboven op horen ze het ondergrondse geluid van zware hoestbuien, de typische rokershoest. Witgele rook -sigarettenrook?- kringelt vervolgens op uit de mulle aarde.

De drie tieners zetten het verschrikt op een loopje. Eén van hen vertelt die avond hun “avontuur” aan zijn grotere zus, die het al dadelijk op het webstek plaatst. Over het feit dat hij in het geniep aan het roken was rept hij natuurlijk met geen woord, maar desalniettemin contacteert grote zus diezelfde avond ook de gemeenteraad van Tongerlo per e-mail: zouden dezen misschien de rook die uit het pas gedolven graf van Willy Verboven opstijgt niet kunnen testen op de eventuele aanwezigheid van benzeen, nitrosaminen, formaldehyde en waterstofcyanide, een teken dat het om de rook van sigaretten zou gaan? En wat die hoestbuien betreft, is hij misschien levend begraven? Grote zus vindt deze hypothese uiterst onwaarschijnlijk, en laat het na politie of brandweer op de hoogte te brengen. Ze is moe en haar nachtrust gaat voor.

Meester Willy Verboven dus! Willy Verboven is mijn leraar in het derde studiejaartje in de jongensschool van Tongerlo, op een steenworp van het voornoemde kerkhof, in het verre jaar 1968! Hij is groot, graatmager en heeft een zwart snorretje in de stijl van een Hollywood acteur. En bovenal, hij is een kettingroker, drie pakjes groene Saint-Michel
zonder filter per dag, zowat de zwaarste sigaretten die er in die tijd in de winkels liggen.

In die tijd protesteert ook geen enkele ouder tegen het feit dat hij er lustig op los paft in de klas voor zijn leerlingetjes, onder de zwart-wit foto’s van koning Boudewijn en koningin Fabiola en paus Paulus VI en een immens kruisbeeld. De tijden zijn anders. Roken is nog geen taboe zoals nu. Tot vanmorgen was ik zelf ook een kettingroker, en ik geef de schuld hiervan aan meester Willy Verboven, mijn leraar in het derde studiejaartje in de jongensschool van Tongerlo in het verre jaar 1968, die mij het slechte voorbeeld heeft gegeven.

Ik ben in Brussel, en sinds enkele uren, sinds de begrafenis van Willy Verboven te Tongerlo, een vijftigtal kilometer van mijn woonst, ben ik dus weer tabaksvrij. Dat heb ik aan zijn dood te danken! De paranormale verschijnselen bevestigen deze overtuiging van me. Ik doe u het even waarheidsgetrouwe als onwaarschijnlijke relaas van de vreemde manier waarop ik er in geslaagd ben de sigaret -en hopelijk voor eens en altijd- af te zweren …

Een aantal maanden tevoren maak ik op een gay chatprogramma kennis met een zekere Malik, een Algerijn in zijn veertiger jaren die lang in Marseille heeft gewoond maar thans in Brussel ergens in de wijk van het Weststation verblijft. Bij een eerste ontmoeting een uurtje later in mijn appartement blijkt het goed te klikken tussen ons -met uitzondering van het feit dat Malik klaarblijkelijk een fervent niet-roker is. Malik is eerder klein en atletisch gebouwd met bolle billetjes, kort gewiekt haar en een stoppelbaard. Zoals hij op het chatprogramma heeft gepreciseerd is hij passief, en beleven we beiden het nodige genot wanneer ik zijn aars lik en hem met een condoom penetreer.

Onze relatie wordt ondanks het feit dat ik een kettingroker ben al spoedig hechter: Malik komt een drietal maal per week langs, niet enkel om te buitelen, maar ook om samen een koffie te drinken of zelfs samen een avondmaal te nuttigen in mijn keukentje, geen varkenvlees maar een glas rode wijn lust Malik wel. Van mijn kant laat ik mijn pakje sigaretten van bij zijn derde bezoekje al onaangeroerd tijdens de uren die we samen doorbrengen. Ik wil hem niet onnodig irriteren…

Geleidelijk kom ik veel van Malik te weten. Hij is thans marktkramer, woont in bij een Belgische vriendin met wie hij geen seks meer heeft, en geeft er de voorkeur aan de passieve rol toebedeeld te krijgen met een mannelijke partner.

Malik heeft ook een crimineel verleden waarover hij zonder gêne praat. Hij heeft drie jaar cel gesleten in Marseille. Hij weet alles over de onderwereld, of zoals de Italianen dat verwoorden la mala vita, drughandel, prostitutie, zwendel, ja, zelfs huurmoordenaars. Met mijn brave Vlaamse achtergrond ben ik een beetje geschokt. En ook wat verrast, in mijn verbeelding zijn specimen zoals Malik macho’s, geen gekontneukten. En nemen ze aan niets meer aanstoot, drugs, hoererij, dronkenschap, en zeker geen domme sigaret.

“Iedereen is verantwoordelijk voor zijn eigen gezondheid en eigen leven,” zegt Malik me op een dag, “en als mensen iemand nodig hebben zoals mij om hun portie drugs of seks te bekomen of uitzonderlijk zelfs een rivaal uit te schakelen, dan is dat hun probleem.”

“Maar vanwaar die absolute afkeer van een sigaret van jou?” vraag ik hem. Malik haalt zijn schouders op: “Mijn vader was een kettingroker. Al vlug gestorven aan longkanker. Ik heb al erg jong op mijn eigen benen moeten staan en instaan voor mijn moeder en jongere broertjes en zussen. We waren straatarm. Zonder die sigaret van mijn vader had ik nooit honger hoeven te lijden, had ik nooit in de onderwereld, en de gevangenis, hoeven te belanden.” Ik geef geen commentaar.

“Mijn grootvader was een roker,” zeg ik tot Malik. “Zoals ook mijn moeder en mijn vader, mijn vader rookte sigaren weliswaar. Mijn moeder liet me haar sigaretten aansteken.” Malik kijkt me bedenkelijk aan. “En dan,” ga ik verder, “na de zondagse mis staan alle mannen van mijn dorp Tongerlo op het kerkplein te roken…”

“… ook meester Verboven. Meester Verboven!” herhaal ik zijn naam, en ik weet niet wat me bezint. Ik weid uit over die leraar in het derde klasje van me, over hoe hij me schrik aanjaagt met zijn strenge blik en zijn verhalen over de pest, en over hoe hij de ene sigaret zonder filter na de andere rookt in het klaslokaaltje zonder het raam te openen en er nu
nog de schuld van is dat ik zijn gewoonte heb overgenomen. “Zo’n man zou ik kunnen vermoorden,” zegt Malik koelweg.

Nadat Malik is vertrokken krab ik met mijn rechterwijsvinger bedenkelijk in de palm van mijn linkerhand. En denk ik onwillekeurig terug aan Julia, de moeder van mijn beste dorpsvriend, geboren en getogen in Tongerlo en Tongels in hart en nieren, én met een hoop -zoals men dat noemt – volkswijsheid. Op een verjaardagsfeestje merkt ze op hoe ik kleine wratjes in die palm van mijn linkerhandje heb. En “kleine Jan,” zegt ze me, “de volgende maal dat er iemand begraven wordt in ons dorp, moet je gewoon in jullie tuin voor de duur dat de doodsklokken luiden die hand met wratjes van je in de grond steken en
driemaal herhalen: “Dode man, neem mijn ziekte mee in je graf.”

Geloof ik in magie? Geloof ik in tovenarij? Is het mogelijk met een dergelijke geste en spreuk al zijn ziektes of lichamelijke onvolkomenheden of slechte gewoontes over te dragen op een vers lijk op het ogenblik dat dit vers lijk wordt ten grave gedragen? Zeker, dit lijk zal er in tegenstelling tot de levende persoon die de vloek uitspreekt geen last meer van hebben. Onnodig te zeggen ook, een viertal dagen na het verjaardagsfeestje voer ik het experiment uit. Sindsdien heb ik nooit meer wratjes in de palm van mijn linkerhand gehad. De wonderen zijn de wereld nog niet uit…

Bij een volgende bezoekje, na een hete buiteling, vertel ik Malik over dit bijgeloof in ons dorp. “Die klasleraar…” “Meester Verboven,” onderbreek ik Malik. “Die klasleraar is er de schuld van dat je thans nog rookt?” Ik knik. Malik vraagt me zijn gegevens op te sporen met Google. Een viertal minuutjes later weet ik genoeg: “Hij is weduwenaar, éénenzeventig jaar, gepensioneerd natuurlijk. Zijn adres is: Sint-Servaasstraat 34 te Tongerlo.” “Noteer dit alles op een papiertje voor mij,” zegt Malik koelweg.

“Als we dood zijn groeit er gras op onze buik,” zingen we als kind in Tongerlo. Malik of één van zijn partners in crime laten er blijkbaar geen gras over groeien. Een vijftal dagen nadat ik hem de informatie omtrent mijn lang geleden klasleraar en kettingroker meester Verboven heb doorgespeeld, lees ik een grappig nieuwtje op internet: in Tongerlo, in de Sint-Servaasstraat, wordt een alleenstaand oud man door een gealarmeerde buur dood aangetroffen. Het betreft waarschijnlijk een moord, de man werd vastgebonden op zijn bed, zijn huid werd vol gekleefd met nicotinepleisters. De autopsie moet nog uitmaken na hoeveel tijd de man, Willy V., aan een nicotinevergiftiging is bezweken.

Malik komt de dag erna langs. “Je gelooft blijkbaar in magie?” vraag ik hem. Hij haalt zijn schouders op. “Je wil écht dat ik het roken voor goed opgeef?” Hij kijkt me aan. “Je weet hoe mijn vader gestorven is,” zegt hij, “we houden blijkbaar van elkaar, laten we ons geluk niet dwarsbomen.” Ik bijt op mijn onderlip. “Je weet wat je te doen staat,” voegt Malik eraan toe. Ik weet wat me te doen staat…

Ik ben onschuldig. Ik heb Malik niets gevraagd, laat staan hem betaald of ingehuurd om meester Verboven met een nicotinevergiftiging het graf in te sturen. Ik wil stoppen met roken. Niet met pleisters, door hypnose of een therapie, dan wel op het magische luiden van de doodsklokken van de parochiekerk van Tongerlo. Dat men me van de moord op
meester Verboven verdenkt is uiterst onwaarschijnlijk. Maar me in Tongerlo, met mijn hand ergens in de aarde bevinden terwijl meester Verboven ten grave wordt gedragen, lijkt me een – hoe miniem ook – te vermijden risico. Ik moet een andere oplossing vinden. Hier in Brussel. Het lot steekt me een handje toe…

… Het lot steekt me een handje toe. Even later krijg ik een telefoontje van Maria, de trouwe verzorgster en gezelschapsdame van wijlen mijn moeder, aan wie ik de opdracht heb gegeven het ouderlijk huis in de schaduw van de parochiekerk te Tongerlo leeg te halen. We praten over de stripverhalen die ze nog heeft weten te verkopen, mijn persoonlijke
documenten uit mijn kindertijd zoals brieven en schoolrapporten -misschien wel van meester Verboven … – die ze op mijn aanvraag ondertussen vernietigd heeft, de pannen en ketels en borden en tassen die wellicht naar het Leger des Heils zullen gaan, en dergelijke …

“Maria, heb je even de tijd,” zeg ik aan de telefoon, “ik ga vlug een sigaretje nemen en dan kunnen we verder praten.” Mijn opzet is geslaagd. Als Tongelse doet Maria nu het relaas van de vreemde moord op kettingroker meester Verboven. Ik veins niets te weten. Uit haar mijn verbazing. En vraag dan wanneer de uitvaartplechtigheid plaatsvindt. “Nu woensdag om tien uur,” zegt Maria, “ik ga er zeker heen.”

“Wil je me nu woensdag dan een kleine dienst bewijzen, Maria, je hoeft me niet eens om uitleg te vragen, akkoord?” zeg ik. Ik verzoek haar een kort tekstberichtje, “nu” bijvoorbeeld, naar mijn draagbare telefoontje te sturen op het ogenblik dat na de dodenmis de kerkdeuren open gaan en de doodsklokken beginnen te luiden om de rouwstoet van Meester Verboven tot aan het kerkhof te begeleiden, en vervolgens nòg een kort berichtje vlak nadat de klokken zijn uitgezongen en men met de kist ter plekke, aan het open graf, is aangekomen.” “Je zal nooit veranderen, jij fantast,” zegt Maria me door de telefoon.

Woensdag, omstreeks kwart voor elf, meester Verbovens begrafenismis zit erop. Op het ogenblik dat ik Maria’s eerste berichtje, “nu”, ontvang, en de doodsklokken in Tongerlo vijftig kilometer verder beginnen te klagen, steek ik mijn linkerhand in een halfvolle zak potaarde voor planten alhier in mijn Brusselse appartement, rook ik met behulp van mijn rechterhand wat mijn laatste sigaret zou moeten worden, en formuleer ik traag, tot driemaal toe, de volgende woorden: “Meester Verboven, dode man, neem de vuiligheid in mijn longen mee in je graf evenals mijn zin om ooit nog een kankerstokje op te steken.” Bij Maria’s tweede berichtje haal ik mijn linkerhand weer uit de potaarde en duw met een agressief gebaar de peuk van de sigaret erin uit.

Ziezo!

Epiloog. We zijn drie weken verder, ik heb de sigaret afgezworen, Malik en ik beleven samen zeer geregeld innige uurtjes. Wat meester Verboven betreft, van Maria heb ik geen enkel verontrustend nieuws opgevangen, of men hem bijvoorbeeld weer zou opgegraven hebben, of er nog rook zou opgestegen zijn vanuit zijn graf, en bovenal, of men misschien al op het spoor van een eventuele dader zit. Ik zou zeggen: requiescat in pace, mijn dierbare Willy Verboven, mijn leraar in het vierde studiejaartje in Tongerlo en de verwoede kettingroker die me als kind ooit het slechte voorbeeld heeft gegeven. Misschien wordt ons verhaal ooit nog stof voor een urban legend!

Jan Vander Laenen

Jan Vander Laenen (Heist-op-den-Berg, 1960) debuteerde onder het pseudoniem Antoine Wiertz bij uitgeverij Facet in 1988 met de verhalenbundel “Een vonk van genie”. Bij dezelfde uitgever verschenen “Gevaarlijke liefdes” (1989) en “Het nimfomane huwelijk” (1990).

De jaren erop schreef hij een aantal scenario’s en toneelstukken om in 1998 onder eigen naam een vierde verhalenbundel te publiceren bij uitgeverij Kramat, “De schone slaper”.

Vander Laenen is lid van de Horror Writers Association en de Poe Studies Association. Hij presenteerde zijn paper “Hypotheses on Poe’s Homosexuality” naar aanleiding van de tweehonderdste verjaardag van Edgar Allan Poe te Philadelphia in 2009. Ook heeft hij een passie voor de Belgische Romantische schilder Antoine Wiertz (1806-1865) en hoopt hij ooit te kunnen doctoreren over deze kunstenaar of diens leven tot een film of toneelstuk uit te werken.